
News
Meerwaardebelasting
Tot dusver bleven meerwaarden gerealiseerd binnen het kader van het normaal beheer van een privévermogen in principe vrijgesteld van belasting. Dat is niet langer het geval: voortaan worden zij belast aan 10 %, behoudens de specifieke regimes (speculatieve verrichtingen aan 33 % of verrichtingen in het kader van een beroepsactiviteit).
Het toepassingsgebied van de nieuwe maatregel is ruim. Geviseerd worden onder meer aandelen, obligaties, fondsen, ETF’s, afgeleide producten, crypto-activa en bepaalde vormen van beleggingsgoud, evenals bepaalde verzekeringsproducten, voor zover zij niet reeds onder een specifiek fiscaal regime vallen. De hervorming is van toepassing op zowel natuurlijke personen onderworpen aan de personenbelasting als op bepaalde rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, zoals vzw’s en private stichtingen, met uitzondering van erkende entiteiten die een bijzonder regime genieten in het kader van fiscaal aftrekbare giften. Spaarrekeningen, termijnrekeningen en de tweede en derde pensioenpijler blijven daarentegen buiten het toepassingsgebied.
Een jaarlijkse vrijstelling verzacht de impact van de maatregel. Elke belastingplichtige geniet van een vrijstelling van 10.000 €, geïndexeerd, met de mogelijkheid om het niet-benutte gedeelte te verhogen met 1.000 € per jaar waarin de vrijstelling niet werd benut, met een maximum van 15.000 €. Dit mechanisme opent interessante perspectieven op het vlak van fiscale planning, in het bijzonder wat betreft de timing van de realisatie van meerwaarden.
Een centraal element van de hervorming is de vaststelling van een “fiscale momentopname” op 31 december 2025. Voor activa die op die datum reeds in bezit zijn, wordt de waarde op dat moment de fiscale referentiewaarde, zodat enkel de meerwaarden gerealiseerd boven dit niveau belastbaar zijn. Indien de historische aanschaffingswaarde hoger ligt dan deze referentiewaarde, kan de belastingplichtige tot 31 december 2030 deze hogere aanschaffingswaarde inroepen, mits hij hiervan het bewijs levert. Deze bepaling onderstreept het belang van een degelijke documentatie.
De behandeling van minderwaarden blijft strikt omkaderd. Zij zijn enkel aftrekbaar van meerwaarden gerealiseerd binnen hetzelfde belastbaar tijdperk en binnen dezelfde categorie van financiële activa, zonder mogelijkheid tot overdracht naar andere jaren of andere categorieën. Dit veronderstelt een nauwgezette opvolging van portefeuilles, in het bijzonder tegen het einde van het jaar.
Tot slot voorziet de wetgever in twee inningsmodaliteiten. In het kader van de zogenaamde “opt-in” houdt de bank of de tussenpersoon onmiddellijk een heffing van 10 % in bij de realisatie van de meerwaarde, wat de administratieve verplichtingen vereenvoudigt. De “opt-out” daarentegen houdt in dat alle verrichtingen worden opgenomen in de aangifte in de personenbelasting. Deze tweede benadering, die administratief zwaarder is, laat evenwel toe om een globaal zicht op de portefeuille te behouden en optimalisaties door te voeren, met name via de compensatie van resultaten en een optimaal gebruik van de jaarlijkse vrijstelling.
Naast de maatregel zelf wijzigt deze hervorming fundamenteel de rol van de cijferberoepen. Zij vereist een gedetailleerdere opvolging van portefeuilles, een verhoogde aandacht voor de kwalificatie van verrichtingen en een meer strategische benadering van vermogensbeheer. De inzet beperkt zich niet langer tot fiscale naleving, maar strekt zich uit tot een actieve begeleiding van investeringsbeslissingen binnen een fiscaal kader dat volop in beweging is.
